Jan Snijder


Jan Snijder houdt een soort visueel dagboek bij vol schetsen van plekken, die hem om een of andere reden dierbaar zijn. Het zijn schetsboeken, die ook voor ons van belang zijn. Ze bieden niet alleen een blik op zijn innerlijke belevingswereld, maar geven ook een fascinerend beeld van de weg, die hij als schilder afgelegd heeft. Het kijken naar deze schetsboeken is de beste manier om iets over de schilderijen van Jan Snijder te zeggen.

Opvallend is dat de meeste schilderijen min of meer vertrouwde titels als 'Haven Den Helder', 'Amel‚n', 'Boskr‚ne' en 'Wei by Duersw‚ld' hebben. De schetsen moeten het zonder nadere aanduiding doen. Ondanks het feit dat de schetsen impressies van vergelijkbare landschappen zijn, lijken ze topografisch onbelangrijk. Ze hebben geen namen. De suggestie van een bepaalde sfeer, een natuurlijke of organische vorm en het vastleggen van een bepaald moment van de dag lijken belangrijker dan een plaatsaanduiding. Door het spaarzame gebruik van kleur en lijn zijn het haast stenografische notities met een sterk autonome uitdrukkingskracht. De abstract aandoende schetsen van Jan Snijder maken duidelijk dat zijn onderwerp niet het landschap, maar de subjectieve waarneming is.

Naast waarneming gaat het hem ook om het schilderen zelf. Zijn observaties zijn overwegend uitgevoerd in oeroude materialen als krijt en eitempera. En ook zijn anti-naturalistische stiji en zijn ingetogen tonale palet wijzen naar voormoderne tijden. Jan Snijder vermijdt bijvoorbeeld heldere kleuren als rood, geel en blauw. En vermijdt ook heftige, in de kleurencirkel recht tegenover elkaar staande kleurencombinaties als rood-groen, blauw-oranje en geel-violet. Hij is daardoor ook het tegendeel van een impressionist. Een typisch impressionistisch sneeuwlandschap zou bijvoorbeeld in drie delen uiteenvallen: de lucht zou geel kunnen zijn, de sneeuw blauw en de aanwezige bomen en heggen rood. Elk van deze delen zou 'verfraaid' kunnen worden door zijn complementaire, secondaire kleur. De wolken in de lucht zouden dan violet zijn, de vooraan gelegen sneeuw zou oranje zijn en de rode bomen etc. zouden voorzien zijn van groene plekken. De selfmade schilder Jan Snijder heeft de wetenschappelijke kleurenschema's van Newton of Goethe nooit hoeven leren en heeft ze voor zijn doel ook niet nodig.

In het ingetogen werk van Jan Snijder is een subtiele samenhang tussen de transparante en vloeiende kwaliteiten van het gebruikte materiaal, het verstrijken van de tijd en de persoonlijke manier van terugkijken. Zo zijn de temperaschilderijen vaak gebaseerd op een dubbele herinnering. De eerste is een impuls uit het schetsboek en de tweede herinnering is het terugdenken aan de tijd of gebeurtenis, dat hij voor de eerste keer door die plek geraakt werd. Een vergelijkbare geur, een stilte, een geluid of een overeenkomstige lichtschittering is voldoende om zich iets te herinneren. De waarneming van Jan Snijder wordt dus niet alleen door het zien van optisch waarneembare verschijnselen gestuurd, maar ook door existentiŽle vragen, als het letterlijk zijn op een bepaalde plek. 'Het gaat mij om de klank die ik mij als kind herinner toen ik met mijn vader in het land liep om kievietseieren te zoeken of als ik aan het zeevissen was op Ameland', schreef hij in 2002. Het gaat hem dus niet om grote vragen, over leven en dood bijvoorbeeld, maar om de kleine dingen die in het onderbewuste sluimeren; dingen die zonder het zelf te weten iemands leven bepaald hebben.

Het landschap heeft altijd gediend als bron van rust en bezinning. Door letterlijk en figuurlijk terug te keren naar de vertrouwde ervaring van zijn jeugd is het landschap voor Jan Snijder de uitdrukking van zijn innerlijke belevingswereld geworden. Door terug te keren naar de oerbeelden van zee, strand en sloot; door deze archetypen op een lyrische, maar verder weinig spectaculaire wijze te verbeelden, is hij altijd zichzelf, als schilder en als mens.

Rudy Hodel